Verhalen uit het hart van Frankrijk

Souterrains Annulaires, geheimen onder de grond

In het hart van Frankrijk is veel te zien, maar ook veel onzichtbaar – zoals in dit verhaal. We zijn onder de grond gegaan. Dit keer ging een andere fotograaf mee: Paul Schipper. Diana wil, zonder te erkennen dat ze claustrofobisch is, wel zeggen dat ze het helemaal niet erg vindt dat ze niet onder de grond door smalle gangetjes heeft hoeven te kruipen. Dat Paul eveneens een goede fotograaf is, speelt natuurlijk ook mee. Dit verhaal is eerder in een iets andere vorm verschenen in En Route.

20102015-8602

De ingang van het souterrain annulaire.

 

Souterrains Annulaires, geheimen onder de grond

Niet geschikt voor mensen met claustrofobie

20102015-8600

De ingang van het souterrain annulaire in Saint-Rémy-sur-Durolle wordt blootgelegd.

Nizerolles – In het midden van Frankrijk, vooral in de Montagne Bourbonnaise en de Monts de la Madeleine, zijn in de loop der jaren tientallen onderaardse ruimtes gevonden die de vorm hebben van de letter phi uit het Griekse alfabet, de Φ of ф. Het zijn lange ringvormige schachten, die niet al te hoog zijn. De gangen zijn samen telkens hooguit enkele tientallen meters lang. De ingangen en sommige muren zijn zichtbaar door mensenhand uitgehakt en gestut. En deze souterrains zijn vrijwel allemaal geheel leeg aangetroffen. Andere overeenkomsten zijn dat de meeste kleine en smalle verbindingen met de buitenlucht hebben en dat de hoofdingang met grote stenen is afgesloten. Wat zijn het toch en waar zouden ze voor gebruikt zijn?

 

We staan bij de ingang van een van de bijna 40 souterrains annulaires van Frankrijk. Deze ligt in Saint-Rémy-sur-Durolle in de Montagne Thiernoise. Onze spelonkoloog van dienst is Hugues Dourvert. Zijn verschijning stelt ons niet direct gerust. Hij lijkt wel gemaakt om zich in de kleinste gaten en spleten te kunnen verschuilen. Wij zijn dat niet. En wat moeten we doen als we met onze grote Nederlandse lijven vast komen te zitten, denken we – en dat moeten we wel denken als we de ingang zien. Na het weghalen van kilo’s zware stenen die slordig op elkaar gestapeld lijken, ontwaren we een ijzeren roostertje van hooguit 30 centimeter breed en 50 centimeter hoog. “Contre les blaireaux”, mompelt Hugues als hij het rooster lospeutert. “Ga maar eerst”, gebaart hij. “De verpletterende indruk die u krijgt als u als eerste een gewelf binnenkomt, moet u ervaren”.

Ik kan niet op mijn buik door de smalle ingang die meer dan 2 meter lang is. Het wordt kronkelen op mijn zijkant, maar ik laat me niet kennen. Ik kom na moeizaam gespartel in een gewelfde ruimte die een meter of drie lang is en half zo breed. Ik kan gaan zitten, want de uitsparing is een dikke meter hoog. De lamp van de fotograaf geeft breed licht en dat kan kennelijk de goedkeuring van Hugues dragen, want zijn draagbare spotlight gaat uit.

 

Schuilplaatsen

Het is opmerkelijk schoon in de grot. Je ziet slechts korrelige wanden van gore en een gele grofzandige vloer zonder spoortje vuil. Gore is de lokale naam voor eroderend graniet. We hebben met Hugues Dourvert al eerder gesproken over de oorsprong van deze souterrains. Dit soort uithollingen van moeder aarde in een ringvorm zijn verder alleen nog in Tsjechië en het noorden van Oostenrijk gevonden. Hij vertelt ons dat er de wildste, maar soms ook hele saaie, theorieën zijn ontwikkeld over de oorsprong van de door mensenhand uitgeholde grotten. Het kunnen simpele opslagkelders zijn, bedoeld om voedsel langere tijd te bewaren, maar ook kunnen het schuilplaatsen voor vluchtelingen zijn. Volgens anderen zijn het kelders voor de opslag van urnen met verbrande resten van mensen uit het préchristelijke tijdperk of is het misschien toch een primitieve geloofsruimte voor heidense riten? Maar elke theorie kan op tegenargumenten rekenen. Als het voedselopslagplaatsen zijn, waarom is er dan nooit iets gevonden van de opgeslagen goederen? Waarom hebben de vluchtelingen geen sporen nagelaten en waar zouden die urnen nu allemaal zijn? Het is opmerkelijk hoe leeg de souterrains zijn aangetroffen. Slechts hier en daar zijn wat potscherven ontdekt die dateren van het begin van onze jaartelling tot aan de vroege middeleeuwen. Voorlopig is het een mysterie. Wij opperen de mogelijkheid va

20102015-8551

De tweede doorgang is iets groter, maar nog benauwend laag en smal.

n ijskelders, maar die suggestie wordt resoluut terzijde geschoven. De gangen zijn inderdaad wat nauw voor het transport van grote ijsblokken. Weliswaar zeulen wij een stevige fotokoffer mee, maar die is toch lichter te hanteren. Bovendien zijn in Europa de eerste ijskelders van een paar honderd jaar later. Het geheim blijft dus voorlopig nog wel onder de grond. Opvallend is het grote aantal souterrains in de gemeente Arfeuilles. Meer dan de helft van alle gegraven onderaardse ruimtes is daar te vinden. De naam van deze gemeente zou afgeleid zijn van het Franse fouiller in de betekenis van uitgraven. Mooi natuurlijk, maar nog steeds geen verklaring voor het waarom.

 

Wat niet weet wat niet deert

De eerste ondergrondse ringgangen in Frankrijk zijn ontdekt bij de opkomst van de archeologie als wetenschap en dat was dus pas halverwege de negentiende eeuw. Vaak werden ze gevonden omdat er een koe door het dak zakte, andere werden ontdekt (en deels vernietigd) door grondwerkzaamheden. De laatste tijd zijn het vooral zware landbouwwerktuigen die ongewild door hun eigen gewicht in een gat onder de grond verzeild raken. Boeren zijn dan ook niet echt blij als er een souterrain op hun gebied wordt aangetroffen. Het liefst dekken zij die snel weer toe, zodat de koeien rustig kunnen blijven grazen. Sst, wat niet weet, wat niet deert. Archeologen zijn ook niet scheutig met informatie. Want zij vrezen een toeloop van allerlei nieuwsgierigen die gezellig willen picknicken in het duister van de uithollingen. Dat zou de schade alleen maar groter maken.

20102015-8595

Hugues Dourvert past ruim in de tweede doorgang.

 

Als we alle drie in het eerste portaal zijn aangekomen, mag ik de volgende gang in. Deze is wat breder, dus ik kan me tijgerend op mijn buik vooruit bewegen met een stevige fo
tolamp in mijn hand. Wel zit er een scherpe bocht in de gang, maar lenig neem ik ook deze hindernis. De beloning is een zaal van bijna twee meter hoog en ongeveer 15 meter lang met twee zijgangen. We kunnen met licht gebogen hoofd rechtop staan. Het is in vergelijking met gure weer buiten aangenaam in de grot. Hugues Dourvert wijst op een nisje waar onder een steenscherf enkele stukjes houtskool zijn verborgen. Die hebben vele honderden jaren geleden voor enig licht in de duisternis gezorgd. Hij dekt ze weer zorgvuldig toe met het platte steentje. De ene zijgang eindigt in een grote nis, maar de andere wordt geblokkeerd door een muur van gestapelde stenen. Wat zou daar achter zitten? “Rien”, zegt Dourvert. “Que de débris” En hij kan het weten want enkele jaren geleden is de muur ingestort. Gelukkig had hij nog een foto en kon hij de muur steen voor steen weer opbouwen en het puin aan het gezicht onttrekken. In de zaal is ook een kleine uitgang loodrecht naar boven te zien. Die zorgt voor een minimale toevoer van zuurstof. Onder deze uitgang is het enige teken van leven in de grot te zien. Er liggen enkele schillen van walnoten. Een knager heeft er zijn maag gevuld. Veel van de souterrains in Frankrijk hebben een luchtkoker. Maar dat betekent niet dat er een gezond leefklimaat heerst. Er zijn souterrains waar je het niet lang uithoudt door de zware giftige gassen die er de zuurstof verdringen. Dat is nog een reden om de ingangen verborgen te houden.

Als we weer buiten staan, ziet de omgeving er ineens heel ruim uit. We halen diep adem. Het souterrain heeft zijn geheimen niet prijsgegeven, maar de natuur is mooi en we moeten niet alles willen weten.

 

Tekst: Frans Collignon

Foto’s: Paul Schipper

20102015-8605

Weer buiten – lucht!

 

Share