Verhalen uit het hart van Frankrijk

Natuur puur 1

Er is ontzettend veel natuur in Frankrijk en dat begint al in je eigen tuin. Wie à la campagne woont, is meestal gezegend met grond. En liefst niet al te veel, tenminste als het bij een vakantiehuis hoort. Je moet de tuin namelijk wel bijhouden. Iedere keer als je na een paar weken terugkeert naar je Franse résidence secondaire weet je weer dat gras snel kan groeien. Zelf heb ik daardoor eens een nest pas geboren konijntjes vernietigd dat half onder de grond in ons omhooggeschoten grasveld lag. Toen was er ineens weer wat minder natuur. En het gras, dat kleurde langzaam rood.

Er is gelukkig meer levends te zien in, op en ver boven de grond. Dit keer kijken we naar wat vliegt en fladdert. De slangen, hazelwormen, reetjes, vossen, dassen, hermelijnen, hagedissen, muizen in alle soorten, insecten en nog veel meer dat zich in de tuin bevinden, komen een andere keer wel aan de beurt.

 

Er vliegt ontzettend veel. Lekker zittend in een schaduwrijk plekje, laten we het allemaal op ons af komen – vaak letterlijk. Je hebt natuurlijk de insecten, zoals bijen, wespen en de vriendelijke gestreepte reus die in Frankrijk frelon en in Nederland hoornaar heet. Minder stekelig zijn de vlinders. We weten inmiddels zeker dat een vlinderstruik niet voor niets zo heet. Het ding zit echt altijd stampvol met vlinders. De mooiste exemplaren zweven en dartelen voorbij, zoals de majestueuze koninginnenpage. De Nederlandse naam is al deftig, maar de Franse benaming kan er ook wat van: grand porte-queue. Dat hebben we wel moeten opzoeken.


Een andere schoonheid is de kolibrivlinder. De naam ligt voor de hand, want hij hangt in de lucht als een kolibrie. De Fransen kennen hem als de moro-sphinx.  En dan zijn er de vleermuizen die met vele tientallen exemplaren vreedzaam samenwonen met vogels van verschillende pluimage in de nissen van de eeuwenoude muren van ons huis. Eigenlijk zouden we de muren opnieuw moeten voegen, maar na de massamoord op de konijntjes doen we het wat rustiger aan. Later misschien. En dan telkens maar een klein stukje zodat deze chauves-souris nog kunnen verkassen, denken we naïef. Bij het begin van de schemering gaan de insecteneters op jacht. Een enkele keer vliegen ze daarbij de woon- of slaapkamer in. Met wat strategisch gewapper van kranten zijn ze dan wel weer het raam uit te krijgen. Door deze hongerige kolonie hebben we nauwelijks last van muggen, terwijl we wel naast een vennetje wonen.

 

buse of busard?

Onze gevederde vrienden de vogels komen nooit naar binnen – denken we. Buiten zijn ze echter volop te zien. Het probleem is dat niet altijd duidelijk is wat we zien. Ja, een mus herkennen we wel, maar zien we daar een buse (buizerd) of een busard (kiekendief)? Is dat nu een milan royal (rode wouw)of een milan noir (zwarte wouw). Dat is wel een uil, maar welke? Met bewondering kijken we naar een vriend die bijna moeiteloos de Franse naam, de Nederlandse naam en dan vaak ook nog eens de Latijnse naam oplepelt als hij ons de les leest over het vogelrijk. “Nee joh, dat is geen buizerd, maar een zwarte wouw – dat zie je aan de staart.” Soms imiteren we hem door als iemand zegt ‘wat een leuk vogeltje’, achteloos de term rougequeue-noir te laten horen en er nonchalant aan toe te voegen dat we hem ook kennen als de zwarte roodstaart (“dat spreekt natuurlijk vanzelf”). Maar ook onze anders zo kalme vogelkenner werd helemaal geestdriftig, toen hij een sterk gekuifde vogel in een boom in onze tuin zag: Een hop, een huppe, de upupa epops, riep hij enthousiast ern struikelend over zijn woorden. Het is ook wel een bijzondere vogel. Dat zijn trouwens ook de spechten die oude bomen uithollen. De pics horen we voortdurend hameren en in het bijzonder horen we de pivert, een Franse naam voor de groene specht die gewoon van pic vert komt. Kijk, dat weten wij nou weer.

De een zijn dood …

Share