Verhalen uit het hart van Frankrijk

Vogelen in een veegluik

Het ritselt sinds twee dagen in de slaapkamer van ons huis in Nizerolles. Vooral ’s nachts. We weten ook precies waar. Het is in de schoorsteen die in de slaapkamer uitkomt. Muizen? Loirs? Een klap tegen de muur zorgt voor even stilte. De volgende dag ben ik de ladder opgegaan om het veegluik van de schoorsteen op zo’n vijf meter boven de grond en boven de kelderingang open te maken. Dat is voor het eerst. We gebruiken deze schoorsteen niet, want een echt warme slaapkamer is niet nodig. Wel hebben we de ontluchting van de fosse toutes eaux in deze schoorsteen laten uitkomen. Dat scheelt een lelijke pijp langs het huis die boven de daknok uit zou moeten steken. De verroeste bout van het luik krijg ik toch nog gemakkelijk los en ook het luik komt met wat wrikken naar buiten. Ik kijk tegen een samengeperste laag van zand, stof, takjes, botjes, stront en veren aan. Met het putterschepje steek ik wat weg en ineens begint de hoop te leven. Een hartschrik vijf meter boven de grond op een zwiepende laddersport is een aparte beleving. Met het langzaam naar buiten glijdend puin komt een plompe zilvergrijze vogel mee, die valt en

Het veegluik zit op 5 meter hoogte

valt…

Vlak boven de grond worden de vleugels gespreid, de landing is wat onhandig en na enkele buitelingen komt het dier tot stilstand in het gras. Ik heb nu zicht op de binnenkant van het veegluik. Ik zie twee dode muizen die verder niet lijken aangetast. Als ik mijn gehandschoende hand naar binnen steek (veiligheidshalve heb ik oude lashandschoenen aangetrokken) voel ik door het dikke leer heen dat mijn vingers worden vastgeklemd. Geschrokken trek ik mijn hand terug en ik zie dat een zo mogelijk nog lompere vogel met stevige klauwen mijn handschoen vastheeft. Ik schud hem van me af en ook deze maakt een vrije val die wordt gebroken door de pioenrozenstruik beneden. Het zijn twee uilskuikens, die niet bewegen. Ik kijk om me heen of ik een moederuil zie, maar ik hoor of zie niets. Eerst het veegluik maar leegmaken, dan kan ik de ladder opbergen. De uilskuikens blijven op hun plek. Ze verroeren zich amper als ik op ze afloop. Nog steeds geen moederdier te bekennen, maar ik laat ze nog zitten. Misschien later.

Ik bel een Franse vriendin en zij heeft een nummer van La Ligue pour la Protection des Oiseaux Auvergne. Die vogelopvang geeft met het advies de vogels bij elkaar in een doos met deksel te doen. Een in brokjes gesneden biefstukje erbij en een paar dagen later afleveren als het Centre de Sauvegarde in Clermont-Ferrand open is.

Alleen laten de vogels de biefstuk onaangeroerd in een hoek liggen. Gelukkig komt Diana langs en die heeft ervaring met uilskuikens. “Die beesten moet je voeren”. Ze doet het voor. Bek opentrekken, vlees naar achteren schuiven en bek dicht doen. Wel uitkijken voor de scherpe klauwen. Elk uur douwen we een paar brokken vlees erin. Aan het eind van de dag begint de grootste al zelf naar het vlees te happen als we dat voor zijn bek houden. De vreugde die we voelen als een dag later ook de kleine zelf naar het voorgehouden vlees hapt, is bijna euforisch.

We weten inmiddels dat het bébés chouettes hulottes zijn. Dan gaan we ze wegbrengen. Nog even wat biefstuk erin en op pad. Na het afleveren voelen we toch een katertje. Het lege-nestsyndroom is letterlijk aanwezig. Een paar maanden later krijgen we een mailbericht van de vogelopvang: Hibou 637 is in de bossen rond Clermont-Ferrand vrijgelaten. Ach, denken we, dit is een zeer subtiele manier om te vertellen dat één van de twee het toch niet heeft gered. Maar dan wordt een paar maanden later nog een mail bezorgd. Ook chouette hulotte 638 is terug in de natuur. Taak is volbracht.

Share